We beoordelen werk nog steeds op aanwezigheid. En dat kost ons meer dan we denken.
In veel organisaties letten we vooral op wie er is. Wie aanschuift bij overleggen, wie snel reageert en wie zichtbaar is. Dat voelt logisch. Maar aanwezigheid is een zwakke maat voor waarde.
Het werk van nu vraagt meer denkwerk en meer schakelen dan vroeger. Tegelijkertijd is de manier waarop we werken complexer geworden, met meer overleg en afstemming. Toch organiseren we werk alsof iedereen op dezelfde manier functioneert. Alsof er één standaardbrein bestaat. Dat is er niet.
Wat ik in organisaties zie, is dat juist neurodivergente medewerkers vastlopen in werk dat sterk inputgericht is ingericht.
Professionals met hoge output, in systemen die vooral aanwezigheid, zichtbaarheid en meedoen belonen.
Daar zit de frictie. Het werk draait om output. Maar we blijven sturen op input.
En dat zie je terug. In onderbenutting van talent. In uitval. In hersteltrajecten die voorkomen hadden kunnen worden.
Wie verzuim echt wil verminderen, verschuift de focus.
Minder op aanwezigheid, meer op wat het werk oplevert. En je zult zien: het rendeert.
Voor medewerkers én voor de organisatie. Herkenbaar?

